A R T W O R K > TEXTS

Weggeveegde dingen komen telkens terug

“Wat af is”, zei de Franse schrijver Paul Valéry, “is niet gemaakt.” Elke morgen stond hij in de heel vroege uren op en ging hij met koffie en sigaretten aan zijn werktafel zitten en schreef. Het was nog donker, maar juist dat ogenblik dat er nog geen dag was, en de nacht er nog was, scheen voor hem het beste ogenblik, althans enige uren, om te werken aan zijn Cahiers, 261 schriften wat 26.600 bladzijden betekent, en die postuum zijn uitgegeven. Eigenlijk was het niet de bedoeling om die te publiceren; het waren denkoefeningen.
Als ik lang kijk naar het werk van Hedwig Brouckaert (1973 in Chili geboren) denk ik aan die hardnekkige manier van werken: je zoekt, speurt naar oplossingen, en uiteindelijk vind je iets, maar het blijft onaf want anders is het niet gemaakt. Aanvankelijk wilde ze vooral beeldhouwen, als kind ging ze al ‘kleien’. Gaandeweg ging het andere richtingen uit. Maar het ‘ophopen’ bleef, het aankleven, het opstapelen, laag na laag, ze bleef zoeken naar reliëf. Ook haar schilderwerk, ook haar ‘frottages’ die ze maakte met wrijven over papier en carbon, vertonen het aandikken – daarom niet overdadig – van een vel papier tot een sculptuur op het blad. Het is modelleren, in de mooiste betekenis die er is, het geduldig kneden van de tekening, op zoek naar een textuur. Elk werk heeft een soort vacht, soms met spelden bijeen gebracht, met eigen haar verwerkt, of – vaak buiten de lijst van het werk maar niet altijd – indringend uitgebreid tot een beredeneerde maar nooit chaotische opeenhoping van vormen.
Op een dag viel het oog van Valéry op een schelp. Hij heeft die opgeraapt en er lang naar gekeken. Hij schreef erover in een schitterend essay over ‘mens en schelp’, over dat “kleine, holle, spiraalvormig voorwerp van kalk”, een mineraal juweel dat emaneert uit een weekdier. Het verborgen dier werkt gestaag aan de schelp, het is optasten, laag na laag, het maakt iets tastbaar terwijl het zelf week is. Werken van Brouckaert vertonen diezelfde ‘geste’, het urenlang krassen op tijdschriftafbeeldingen – waarmee de banale illustraties een nieuwe glans krijgen – of op carbon wrijven, weliswaar donker materiaal maar ook dat geeft na geduldig strijken een glanzigheid op.
Het is ‘doortekenen’, pagina na pagina uit tijdschriften, en dat brengt een opstapeling van gecomprimeerde magazines. Het beeld verdwijnt, omdat het uitgewist wordt, maar verschijnt opnieuw – dat is juist het vreemde in het werk van Brouckaert. Het banale – wat in allerlei publicaties en advertenties is aan te treffen – levert bij haar een intrigerend beeld op, soms donker, vaak met kleur. Het gaat altijd, al zegt ze dat niet met zoveel woorden, om tegenstellingen en contradicties. De ene keer gaat het in de donkerte, bij carbonpapier dat over elkaar wordt geschoven en geduldig stap voor stap wordt beschreven, de andere keer is er weer kleur, met nauwkeurig aangebrachte ‘ophopingen’. Dat is de complexiteit van haar werk: uit figuratie – of het nu een foto is, een bladzijde uit een tijdschrift, of een herinnering, het krijgt allemaal een deemstering, zodat het abstract wordt, verdwijnt en niet onmiddellijk herkenbaar is. En toch, er is een soort echo, de weggeveegde dingen of herinneringen komen terug. Alles blijft.
In het werk van Brouckaert zie je grote continuïteit, ook al is het verscheiden, van beelden naar tekeningen, van donkere vormgeving naar licht, van figuratie naar abstractie, van de ene naar de andere mogelijkheid – geen tevergeefs zoeken maar naarstig doorwerken. Je herkent sporen van vroegere verkenningen in nieuwe vormen. Ook in de onderwerpen, die verborgen blijven, die alleen maar resoneren. De eigen ervaringen, herinneringen, ook het verdriet of het geluk, zijn steeds aanwezig – maar het wordt nooit expliciet getoond. In de verzonken sedimenten van het oeuvre – dat nog groeit – herken je die resonantie. Je hoort het als je kijkt, de muzikaliteit in elk werk, het ritme, de ‘beeldende’ partituur die geduldig met vele verscheidene middelen vorm krijgt in een werk.
Soms kun je iets herkennen, meestal niet. Daar wijst de titel van de tentoonstelling op: “illusive flesh of light”, een dichtregel van de in 1980 gestorven dichter Robert Hayden. In diens poëzie vind je de tegenstellingen terug die je ook bij Brouckaert ziet: “The seen, the known dissolve in iridescence, become illusive flesh of light – that was not, was, forever is.” Het nieuwe werk, anders dan de scheurbladeren uit vergankelijke blaadjes die ze bekrast, (anadvertisement, het uitvegen van banale afbeeldingen die worden opgestapeld) is nu vol emotie: met distantie en betrokkenheid achterom kijken naar verhalen, de oorlogservaringen van de vader van haar man, de jaren met haar eigen vader, maar telkens met discrete afstand. De anekdotiek is niet belangrijk, die is weggeveegd, maar komt door het licht terug – dat is de essentie van het nieuwe werk: een kamer, een gordijn, een ansicht – het komt, soms alleen maar een uitvergroot detail (met digitale prints tot stand gekomen), terug. Dan wordt abstractie weer figuratie, zoals in het hele oeuvre van de Franse schilder Eugène Leroy: op zijn schilderijen wordt alles verdoezeld, door overschilderen, maar als je goed kijkt, zie je in het lichtgevend reliëf van de verfklonters een motief.
Er is ‘licht’ in het werk’, zoals Hayden schreef: “each of us has lost”. “Here is the shadow of its joy.” Tegenstellingen, voor iemand die als Brouckaert afwisselend in het bruisende New York woont én in het bedaarde Gent. Uiteindelijk moet de definitieve uitvoering altijd – dat is een mooi woord – ‘ontbreken’. Elk kunstwerk is een voorlopig werkstuk, een exercice in de woorden van Valéry. “Oefening omdat de definitieve uitvoering altijd ontbreken moet.” Het is de kijker of de toeschouwer, de genieter of de verzamelaar, die het voltooit, of er misschien nooit in slaagt. Hoe langer ik kijk, hoe scherper ik begrijp dat ‘onvoltooidheid’ een essentieel deel uitmaakt van haar manier van werken: geduldig, soms ook driftig, zoeken naar lijnen, naar vorm, naar wit, het licht in het werk, en naar het reliëf in de tekening, het schilderwerk, de wijze waarop het is tentoongesteld (ook in haar installaties, op ramen en muren), zoeken naar het karakter van een tekening of een wassende collage, dat veel verbergt en veel zegt. Het is geen duistere manier, geen verdonkeremanen, maar het vergt wel goed kijken, dan pas voltooi je langzamerhand het werk.
Paul DEPONDT

Weggeveegde dingen komen telkens terug /

Paul Depondt 2015
2015

Exhibition essay for 'Illusive Flesh of Light'
SOLO SHOW
Gallery Jan Dhaese
September - October 2015